Doopdienst

 

Inleiding:

In het kader van de serie ‘Dit is het’ heeft Teun vorige week gesproken over Gods missie en onze middelen. M.a.w. wat helpt ons of wat hindert ons om als goede rentmeesters de middelen die God ons heeft toevertrouwd, in te zetten voor zijn missie.

 

Hij noemde in zijn preek 2 specifieke ‘vijanden’ van het werken met onze middelen zoals God het bedoeld heeft: individualisme en consumentisme.

Onze cultuur is doortrokken van deze ‘ismen’, waardoor ook wij – de mensen van Gods Koninkrijk – ons doen en laten af en toe laten bepalen.

Teun eindigde zijn preek met de vraag: ‘Hoe kunnen we handen en voeten geven aan het op de juiste manier met Gods middelen omgaan?’

 

Hoewel we vandaag geen preek hebben uit de serie ‘Dit is het’, wil ik toch aansluiten bij de preek van afgelopen zondag en een antwoord proberen te formuleren op de vraag die Teun heeft neergelegd.

De reden hiervoor is, dat er mensen zijn die niet precies begrijpen waarom ze zich zouden moeten laten dopen. Maar de bereidheid om je te laten dopen is in feite de eerste stap in het antwoord op het sluipende gif van ‘individualisme’ en ‘consumentisme’.

 

Lezen: Hand. 2: 32-39:

Deze Jezus is door God tot leven gewekt en daarvan zijn wij allen getuigen. Nu Hij door God verheven is aan Zijn rechterhand en de belofte van de heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dít uitgestort wat jullie zien en horen. Want David is niet naar de hemel opgevaren, maar hij zegt zelf:

‘De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: neem plaats aan Mijn rechterhand tot Ik je vijanden als een voetbank voor je voeten gemaakt heb.’

Laat daarom heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem én tot Heer én tot Christus heeft gemaakt, deze Jezus die jullie gekruisigd hebben.

Toen ze dit hoorden, werden ze diep in hun hart getroffen en ze zeiden tot Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’

En Petrus antwoordde hun: ‘Bekeer je en laat ieder van jullie zich laten dopen in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van je zonden, en je zult de gave van de heilige Geest ontvangen. Want voor jullie is de belofte en voor jullie kinderen en voor allen die ver weg zijn, iedereen die de Heer, onze God tot Zich roepen zal.’

 

Mattheüs 3:13-17:

Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om Zich door Johannes te laten dopen. Maar Johannes probeerde Hem daarvan te weerhouden en zei: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden en dan komt U naar mij?’

Maar Jezus antwoordde: ´Laat het nu zo gaan, want het past ons om op deze manier alle gerechtigheid te vervullen.´ Toen stemde Johannes ermee in.

Meteen nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij uit het water omhoog. En de hemelen openden zich en hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Hem komen. En uit de hemel zei een stem: ‘Dit is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik vreugde heb.’

 

Er is in de loop der tijd onder christenen veel discussie ontstaan over de doop en de juiste praktijk van de doop. Toch is de Bijbel daarover heel duidelijk: iemand die tot geloof in Christus komt, moet zich van zijn oude weg afkeren (= bekeren) en zich laten dopen. Enkele opmerkingen daarover:

 

  • Het woord dat gebruikt wordt voor dopen (baptizo) betekent ‘onderdompelen’, b.v. als je kleren verft dompel je ze in een bad.
    De betekenis hiervan is dat iets doordrenkt wordt met…. Het hoeft dus niet beslist om doop in water te gaan. Jezus spreekt ook over de ‘doop in het lichaam’, m.a.w. helemaal ‘opgaan’ in het lichaam, de kerk. Of de doop van het lijden: tot het uiterste gaan, zoals Hij gedaan heeft in Zijn lijden (zie Markus 10: 38).
    In dit geval gaat het om de doop in water (= de context).
     
  • Waar het om gaat bij dit woord is: de eenwording, de vereenzelviging met…., het doordrenkt worden met, helemaal opgaan in…. .
    Jezus liet Zich dopen en in Zijn doop identificeerde Hij Zich met de mensen die nodig hebben om gereinigd te worden. Johannes begreep dat er iets niet klopte: dit was de Zoon van God, die hoefde niet van zonden gereinigd te worden.
    Maar Jezus wou het: Hij wilde volledig mens zijn en ook de lasten van de mensen dragen en hun weg gaan. Hij zette daarmee ook de toon: als Jezus het nodig achtte om gedoopt te worden, kunnen wij dan zonder…..?
     
  • Als Petrus dan zijn gehoor oproept om zich te laten dopen in (of op) de naam van Jezus vindt in feite een omgekeerd proces plaats: zoals Jezus Zich met ons identificeerde in Zijn doop, identificeren wij ons met Hem in onze doop: we laten ons doortrekken met Christus, we worden met Hem vereenzelvigd. Als logisch gevolg daarvan ontvangen we de Heilige Geest, zoals God beloofd heeft (daarover later meer).
     
  • De doop in water was niet een gebeurtenis die ergens aan het eind van de christenreis werd voltrokken, of op een moment dat een christen zich nog van niets bewust was (de kinderdoop). Feitelijk is dit een gebeurtenis die het begin van onze reis met Christus markeert. Zoals ook Christus Zelf Zich aan het begin van Zijn loopbaan liet dopen. De veel voorkomende praktijk van gelovigen die zich pas veel later laten dopen is eigenlijk helemaal niet Bijbels. Het antwoord van de toehoorders is dat ze zich op diezelfde dag nog lieten dopen (2:41). Er zijn andere voorbeelden: Hand. 8:12: Samaria; 9:18 Paulus; 10:48 Cornelius; 16:15 Lydia; 16:33 gevangenbewaarder; 19:5 Efeze.
    De Bijbelse opdracht is duidelijk: keer je af van je oude leven en laat je dopen.
     
  • Dopen is een teken van het Nieuwe Verbond, waarin je tot uitdrukking brengt, dat je vanaf nu niet meer van jezelf bent, maar van Jezus: je begraaft je oude leven (gaat onder) en staat weer op in een nieuw leven. Feitelijk is de doop een ultieme daad van gehoorzaamheid, een uiterste zelfverloochening. Daarom hebben sommige mensen het misschien ook zo moeilijk met de doop: het wordt nu wel heel concreet.
     
  • De Bijbel leert niet dat je eerst een soort van fatsoenlijke christen moet zijn voor je je laat dopen. Er is maar één voorwaarde voor de doop: geloof hechten aan het verlossingswerk door Jezus en bereid zijn je leven aan Hem te onderwerpen (= ik geef mijn leven aan Jezus).
    Voordat mensen lid kunnen worden van onze kerk, willen we dat ze eerst de stap tot de doop hebben gezet. Alleen mensen die deze uiterste weg willen gaan (het publiek afleggen van je oude leven), zijn voldoende gemotiveerd om hun leven te onderwerpen aan de Bijbel, zoals dat in de kerk gepredikt wordt.
    Soms moeten mensen eerst nog dingen in orde brengen in hun leven voordat ze zich laten dopen, maar dat is dan een onderdeel van het bekeringsproces, een voorwaarde om je te laten dopen: bekeer je en laat je dopen….

 

 

De doop van Johannes en de doop in Jezus

 

In het Nieuwe Testament komen we twee soorten waterdoop tegen: de doop van Johannes (Markus 1:4) en de doop die Petrus noemt in Hand. 2.

 

De apostel Paulus legt het verschil tussen deze beide dopen uit in Hand. 19:4:

‘Johannes doopte een doop van bekering en zei het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus.’

En ook Jezus Zelf legt het uit: ‘Want Johannes doopte met water, maar jullie zullen met de Heilige Geest gedoopt worden, niet veel dagen na deze.’ (Hand. 1:5).

 

Bij beide dopen was er sprake van een ‘symbool van reiniging’ (Mark. 1:4, Hand. 2:38). De doop van Johannes was echter een voorbereidende doop op de komst van de Christus en op de reiniging van onze zonden door het bloed van Jezus.
De doop in de naam van Jezus is een symbool van dat we overgegaan zijn in een nieuw (door Jezus’ bloed gereinigd) leven. De christelijke doop is in feite een ‘initiatie-ritueel’ (een inlijvingsritueel) dat wijst op de relatie, de eenwording met de Christus die gekomen is (bij Johannes moest die nog komen): het is volbracht!

 

Om die reden maakt Paulus er in Hand. 19 ook een punt van hoe ze gedoopt zijn. De handeling was dezelfde: onderdompeling in water, maar de betekenis (de theologie) was een andere: gered door het offer van Jezus (en niet door de doop) is de doop het teken dat we ‘ingelijfd’ zijn bij Christus en niet meer onszelf toebehoren.

 

 

In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

 

Dit is niet slechts een formulering, maar duidt op wat er plaatsvindt in de doop.

Bij de doop van Jezus (Matth. 3) gebeurde er iets opmerkelijks: de Heilige Geest daalde zichtbaar neer op Jezus. Dit was een manifestatie van de Drie-enige God:

            – Jezus, de Zoon, liet Zich dopen en werd één met ons;

            – De Vader, bevestigde de Messias door Zijn spreken vanuit de hemel;

            – De duif symboliseerde het gezalfd-zijn van Jezus door de Geest.

 

Deze zalving was niet dat Jezus nu voor het eerst vervuld was met de Heilige Geest, Hij was immers door de Geest verwekt, maar dat Hij erkend werd als Degene die doopt met de Heilige Geest (Joh. 1:33).

Het neerdalen van de duif bevestigde dat Jezus de verwachte Messias was en dat door Hem de belofte van de Vader zou komen.

 

In Joh. 14 en 16 zien we dat het zenden van de Heilige Geest een gezamenlijke activiteit is van de Vader en de Zoon. In deze hoofdstukken benadrukt Jezus de eenheid tussen Vader, Zoon en Heilige Geest, waaraan we deel krijgen als we van Jezus zijn. Dat zien we voltrokken worden in de doop.

‘In Hem zijn jullie, toen je gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest van de belofte.’ (Efez. 1:13).

 

 

De doop in water en de doop in de Geest

 

Daarom zijn de doop op het geloof in water en de doop in de Heilige Geest bij elkaar hoende gebeurtenissen. Zie Hand. 19

Met de doop in water verklaar je dat je niet meer voor jezelf en naar je eigen natuur wilt leven, maar voor God en naar Zijn aard/natuur. Dat kun je niet met je eigen menselijke aard, daarvoor heb je het nieuwe leven van God nodig: de Heilige Geest, die in feite God Zelf is, Zijn gezindheid, Zijn natuur.

 

Door de doop in de Geest krijg je deel aan de goddelijke natuur. Galaten 5 spreekt over de vrucht van de Geest en 1 Kor. 12 over de gaven van de geest.

Vereenzelviging betekent eenwording met Christus, Zijn goddelijke natuur ontvangen. Filip. 2: 5: Laat die gezindheid bij jullie zijn die ook in Christus Jezus was…. Die gehoorzaam geworden is tot de dood aan het kruis.

 

 

Wat heeft dit nu te maken met de preek van de vorige week?

 

Jezus had Zijn zelfbeschikkingsrecht opgegeven en had Zijn eigen wil uitgeruild voor de wil van God.

En dit is in feite wat God voor ogen had, toen Hij ons riep: dat we Zijn eigendom zouden zijn en voor Hem zouden leven.

Efeze. 2:10: Want door genade zijn jullie gered, door het geloof, en dat is niet je eigen werk; het is een gave van God en geen gevolg van jullie werken, dus niemand kan zich erop laten voorstaan. Want Hij heeft ons gemaakt tot wat we nu zijn: in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God van tevoren bereid had, zodat we daarin zouden wandelen.

 

Jezus deed niet aan individualisme, of aan consumentisme of materialisme. Hij leefde alleen maar voor God. Zijn ‘voedsel was om de wil te doen van Degene Die Hem gezonden had’ en om Zijn werk te volbrengen. (Joh. 4:34).

 

Het ‘werk van God’ is de missie van God. Zijn missie is dat zoveel mogelijk mensen het evangelie horen en behouden worden. Jezus leefde alleen daarvoor en gaf Zijn leven daarvoor.

Daarmee heeft Hij voor ons de weg geëffend om weer met God te leven, maar ook om ons leven ‘af te leggen’ voor de missie van God.

Dat vraagt zelfverloochening, gehoorzaamheid en afstand nemen van je eigen rechten (dus van individualisme, consumentisme en materialisme).

 

En de eerste stap op die weg van gehoorzaamheid is de doop.