Eén lichaam


Joop legt naar aanleiding van Romeinen 12 uit dat christenen samen één lichaam vormen en alle lichaamsdelen hun eigen functie hebben.

 

Romeinen 12:1-8

Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.
Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken. Denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven. Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken. Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen. Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.
 

Inleiding:

Emmanuel heeft vorige week gesproken over ‘aanbidding’ en ‘denken’ aan de hand van Rom. 12:1,2. Vandaag ga ik verder met dit Bijbelgedeelte.

Om God werkelijk te kunnen aanbidden moeten we een ander denken hebben (‘vernieuwing van denken’), zodat we weten wat ons in genade geschonken is.

We aanbidden God niet om ‘iets terug te doen’, maar omdat Hij God is en we dat graag erkennen (daarom hebben we ‘aanbiddingsdiensten’ veranderd in lofprijs!).

Als God in het middelpunt van ons denken staat (een vernieuwd denken) is alles wat we doen, een daad van aanbidding: of het nu zingen, bidden, werken, studeren, omgaan met vrienden etc. is.

Als God niet aanbeden wordt in wat we doen, zijn we wellicht ‘gelijkvormig aan deze wereld’ (m.a.w. bepalen we zelf wel wat en hoe we doen). Dan moeten we ons laten veranderen door de heilige Geest in een nieuw denken.

 

Emmanuel legde uit dat behalve ‘aanbidden vanwege de genade die we ontvangen hebben’ Rom. 12:1 nog een reden noemt. Dat wordt aangegeven met het woordje ‘ouv’ (daarom, dan). ‘Daarom’ wijst terug op de voorgaande verzen waarin Gods grootheid geroemd wordt. We aanbidden God dus vanwege Zijn genade, maar ook vanwege Zijn grootheid, omdat Hij is wie Hij is….

 

Theologie en praktijk

In Bijbwelstudieterminologie wordt Rom. 12:1 aangeduid als de ‘cesuur’ in de brief. In de eerste 11 hoofdstukken wordt de theologie van verlossing en rechtvaardiging uitgelegd. Vanaf 12:1 komen allerlei praktische aanwijzingen:

–       Je plaats in het lichaam innemen

–       Elkaar liefhebben

–       De overheid eren

–       Elkaar verdragen en geen aanstoot geven

–       Je verre houden van dwalingen, scheidingmakers en het kwade.

Kortom, een stukje gemeentepraktijk. Niet als een wet, of huishoudelijke regels, maar als een logisch uitvloeisel van een nieuw denken dat de genade van God erkent, Gods grootheid en dat een aan God toegewijd leven wil leven.

Aan de hand van deze hoofdstukken legt Paulus dan uit hoe zo’n aan God toegewijd leven eruit ziet.

 

Individuele gelovigen of samen?

Het is duidelijk dat Paulus hier niet tot individuele gelovigen spreekt, maar tot een gemeente (Rome). Mensen die met elkaar omgaan, samen optrekken en ook samen bijdragen aan de verbreiding van het Koninkrijk van God.

De ‘individualisering van het geloof’ (een persoonlijk iets, achter je voordeur) heeft het denken van de gelovigen aangetast. God heeft niet een verzameling mensen geroepen, maar een volk. Een eenheid, dezelfde nationaliteit (die van het Koninkrijk van God). (Afgelopen medaille-uitreiking in Sotsji waren de Nederlanders duidelijk een ‘volk’, en niet een groep losse individuen.

In de verzen 3 t/m 8 richt Paulus zich tot de gemeente en legt uit hoe elk lid van die gemeente (elk individu) zijn plaats in de gemeente, het lichaam, het volk inneemt.

 

1.    De gemeente een lichaam

Allereerst legt hij uit dat de gemeente een ‘lichaam’ is, m.a.w. een ‘organisch geheel’.

Vers 4 en 5: ‘Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben,  zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen.’

Binnen een lichaam beïnvloeden de leden elkaar (daarover gaan ook zijn aanwijzingen in de volgende hoofdstukken), omdat ze aan elkaar verbonden zijn.

Als ik hoofdpijn heb, heeft het hele lichaam daar last van. Als mijn arm niet goed functioneert, heeft dat effect op het hele lichaam.

 

2.    Elk lid heeft een specifieke plaats in het lichaam

Angela Kemm: ‘Je bent hier omdat God vóór de grondlegging der wereld bepaald had waar en hoe je zou zijn’. Dit is een overweldigend, onvoorstelbaar perspectief.

Je bent een ‘arm’, omdat God dat zo bepaald heeft en niet omdat je daar toevallig zit. Deze arm heeft een bepaalde functie: ‘de leden hebben niet allemaal dezelfde functie’, dat zou een misvormd lichaam zijn.

 

3.    Zie jij jezelf op de juiste plek in het lichaam?

Vers 3: ‘Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken. Denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven.’ (NBG: Naar de mate van het geloof dat God je heeft gegeven.)

Een pink moet geen hand willen zijn. God heeft de pink bepaald als pink. De pink moet doen waar hij goed in is en waarvoor hij gemaakt is: b.v. iets uit een kleine opening peuteren; dat lukt niet met je hand….

 

4.    Het lichaam, de optelsom van de delen

Vers 5 en 6: ‘we zijn samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is.’

God wil Zijn Lichaam (de gemeente) als geheel gebruiken voor Zijn missie en niet slechts enkele afzonderlijke delen of zelfs ‘los van elkaar’ (vandaar onze voorkeur voor de kerk en afkeer van activiteiten buiten de kerk om).

 

5.    Alle leden functioneren in gaven

‘We hebben verschillende gaven naar de mate van ons geloof.’

In het uitoefenen van je gaven moet je rekening houden met wat je gegeven is. Is je veel gegeven, dan moet je niet achterover gaan leunen en zien wat gebeurt (vgl. de talenten: aan wie veel gegeven is, zal ook veel gevraagd worden: datgene wat je ontvangen hebt, moet je inzetten om daarmee de kerk te bouwen en het evangelie te verbreiden.

Heb je een groot geloof, dan heb je ook ‘grotere profetie’;

Of het nu dienen, onderwijzen, troosten, barmhartigheid, leiding betreft, je doet het naar de mate waarin je het van God ontvangen hebt en met een overeenkomstige instelling: verstop het niet, begraaf het niet, hou het niet voor jezelf.

Aanbidden betekent ook dat je op de plaats die God je heeft gegeven ten volle dient met alles wat je hebt; b.v. leiding geeft in ijver (denk aan deel van het kinderwerkteam: kun je een keer niet, laat het dan niet op zijn beloop, regel vervanging of ga anders toch).

 

6.    Het goede ‘moet naar buiten’

Angela Kemm: ‘jullie hebben veel goeds, maar dat moet naar buiten’. Gaven zijn er niet voor bedoeld om voor jezelf te houden, maar om daar anderen mee te dienen. De genade die je ontvangen hebt, moet je niet voor jezelf houden, maar doorgeven aan anderen (vgl. de slaaf die een vermogen was kwijtgescholden).

Hoe brengen we ‘het goede’ naar buiten?

–       Door God en elkaar te dienen

–       Door je gaven/talenten te gebruiken die God je heeft gegeven

Stop die niet weg, begeer niet iemand anders gave, maar gebruik wat je hebt: ‘goud en zilver heb ik niet, maar wát ik heb, geef ik u….’.

 

Slot:

Ben je een aanbidder? Waaruit blijkt dat?

Niet dat je mooi kunt zingen, maar dat je je lichaam stelt tot een levend offer voor God, om Hem te eren, de kerk te bouwen en het evangelie te verbreiden.

 

Joh. 4:23: de tijd komt dat de waarachtige aasnbidders de Vader zullen aanbidden in Geest en in waarheid; de Vader zoekt zulke aanbidders.