Geld deel 2

Tweede preek in een drieluik over geld.

Inleiding:

We zijn bezig met een serie over ‘geld’, niet slechts geven.

Geld is een beladen onderwerp (zoals seks): het houdt ons allemaal bezig (het hebben van veel geld of het juist niet hebben kan je leven volledig bepalen), maar we spreken er niet graag over.

Emmanuel heeft dit vorige week in de aftrap over de serie aangegeven. Er is ook gebeden voor mensen die behoeftig zijn. Wellicht vond je dat niet leuk of heb je er aanstoot aan genomen, want Nederlanders houden er niet van om open over geld te spreken.

In de eerste gemeente was dat anders: ze wisten wie er behoeftig waren en voorzagen daarin.

In 2009 hadden we een prekenserie over ‘geven’. Daar kwam ook geld in voor. Maar deze serie liet ook de vrijheid om het onderwerp te ‘omzeilen’ voor jezelf: bv. ik geef al tijd aan de kerk.

In deze serie wordt het ‘verengd’ (narrowed down) tot ‘geld’, zodat we het onderwerp zonder escapes recht in de ogen moeten kijken.

We zitten in een nieuwe fase van de kerk; de fase van verder groeien, ‘meters maken’. De fase van ‘gezond maken’ hebben we min of meer achter ons, nu gaan we datgene wat we hebben ‘verzilveren’. Om meters te maken heb je middelen nodig (ook geld) en dus ook mensen die willen investeren in het ‘meters maken’. Maar niet zomaar ‘investeren’, maar ‘van harte’, want God heeft de blijmoedige gever lief (2 Kor. 9:7).

De preek van vandaag gaat dus over het hart van geven (investeren).

 

Twee conclusies uit de preek van Emmanuel:

1.     God geeft ons ‘iets’ met de opdracht er meer van te maken (vgl. de talenten, Matth. 25). Het (vroege) kapitalisme is daarop gebaseerd: je maakt winst en die winst investeer je weer, zodat je kunt uitbreiden: je maakt er ‘meer’ van en weer meer diensten kunt leveren, mensen in dienst nemen etc. Onder invloed van de zonde is kapitalisme verworden tot een goddeloos systeem, dat vooral draait om het maken van winst. Minder winst wordt dan gezien als verlies en daar moeten anderen voor bloeden (bv. door ontslag).
Maar in de Bijbel (en het vroege kapitalisme) gaat het niet om de winst als doel, maar wat je ermee kunt doen.

2.     God wil dat we vruchtbaar en talrijk zijn; m.a.w. dat het ons goed gaat. Er is dus niets mis met ‘het goed hebben’. Maleachi: beproef Mij toch…. De vraag is alleen wat doe je met datgene waarmee God je zegent en gezegend heeft.
Volgens Michael Eaton horen wij hier allemaal tot de rijke elite van de wereld, afgezet tegen het grootste deel van de wereldbevolking dat alleen bezig is met werken en overleven.
Dat betekent dat we met ons geld meer kunnen dan alleen ‘overleven’. Maar hoeveel dat ‘meer’ is, hangt af van onze hartsgesteldheid.

Vandaag als onderwerp ‘Geld als graadmeter van je geestelijke gezondheid’.

Lezen: Hand. 4:32-37;  Lukas 16:10-18.

Context van dit gedeelte:

Gelijkenissen over het Koninkrijk van God (zie Luk. 14:15). Het KvG gaat niet beslist over de hemel, maar over het ‘Rijk van God’, dus het nieuwe leven, waarover Christus Heer is, het ‘geestelijk leefgebied’ van de gelovigen.

·        14:15-24: onze respons op de uitnodiging van God (de verontschuldigingen)

·        15:1-10: over mensen die gered worden, deel worden van het Koninkrijk van God

·        15:11-32: over de Vader die naar ons uitkijkt en de zoon die opnieuw wordt aangenomen

Dan verandert het toneel naar twee gelijkenissen over geld en rijkdom:

·        16:1-9 over de onrechtvaardige rentmeester

·        16:19-31 over een rijke (die nu al geniet van zijn overvloed en geen rekening met God houdt en over een arme die zijn loon in de hemel ontvangt.

Midden tussen deze verhalen staat het stukje over ons hart, onze motieven, wat ons drijft,  en heel specifiek over twee essentiële zaken in het leven: ons geld en ons huwelijk.

Niemand zal het belang van huwelijkstrouw ontkennen, zo vraagt God ook trouw van ons als het gaat om ons geld.

Het woord ‘Mammon’ (Aramees: Mammonas)betekent feitelijk gewoon schat of rijkdom. In onze tijd zouden we zeggen ‘geld’. Het letterlijke woord voor ‘geld’dat het N.T. gebruikt (argurion) betekent eigenlijk het muntstuk (zilver; vgl. argos = glanzend). ESV vertaalt Mammon met ‘money’ en ‘wealth’.

In de N.T.-ische tijden werd nog veel in goederen gehandeld, die ook rijkdom vertegenwoordigden. Dus mammon is wat je hebt aan rijkdom, in deze tijd vooral geld.

Jezus spreekt in dit Bijbelgedeelte dus gewoon over ‘geld’ en komt tot de conclusie dat je niet tegelijk God kunt dienen en je geld.

Het voorbeeld van de onrechtvaardige rentmeester (16:1-9):

Los van de motieven waarom hij ontslagen werd, prees Jezus hem vanwege het feit, dat hij het geld gebruikte voor een hoger doel, namelijk om er vrienden van te maken. Hij diende niet het geld, maar andersom: zijn geld diende hem.

De mensen van de wereld zijn veel slimmer om hun geld te gebruiken voor hun doeleinden dan Gods mensen voor dit doen voor Gods Koninkrijk (16:8).

Een commentator: ‘Jezus zegt niet, dat je niet zou moeten dienen, maar dat je niet kunt dienen. Zij die Jezus’ ware discipelen zijn, moeten een keuze maken tussen óf God óf het geld dienen. ‘Geld’ (Mammon) wordt hier gepersonifieerd in vergelijking met God, waarmee aangegeven wordt dat geld iemand vaak meeneemt in afgoderij in iemands leven. De manier om God te dienen in plaats van geld is om met je resources anderen en het werk van het Koninkrijk te dienen.’ 

Jezus Zelf zegt: Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon. (Matth. 6:24).

In die zin is je geld dus de graadmeter van je geestelijke gezondheid. Een discussie over ‘tienden’ van het brutoloon of van het nettoloon is een ongezonde hartsgesteldheid.

Paulus: ‘ieder legge naar vermogen thuis iets weg’ (1 Kor. 16:2) en ‘God heeft de blijmoedige gever lief’ (2 Kor. 9:7).

M.a.w. het moet je een vreugde zijn om met datgene wat je hebt, de kerk en anderen te dienen.

 

Twee voorbeelden:

 

1.     De talenten: Matth. 25:14-30 (1 talent is ongeveer 20 jaarsalarissen)

De eerste twee dienaren investeerden het geld dat ze van hun meester in bruikleen hadden gekregen en vermenigvuldigden het. Ze werden geprezen, niet om de winst, maar om hun getrouwheid in het goed omgaan met hun geld.

De derde slaaf koos vanwege een verkeerd beeld van de meester voor de veilige weg: hij zorgde dat er niets met het geld gebeurde.

Hoe ga je om met geld? Dit gaat over de ijver en het verlangen om zoveel mogelijk met je geld God te dienen. Datgene waarmee God je gezegend heeft, wil je juist gebruiken om daarmee anderen te zegenen. Dat is ook de achtergrond van het geven van ‘tienden’. De ‘tienden’ zelf is alleen een indicatie van wat billijk is op basis van een Oudtestamentische patroon. ‘Tienden’ vertegenwoordigde iemands gehele bezit. Een ander principe: de ‘eerstelingen’: voordat je iets anders met je bezit doet, geef je eerst aan God, want God gaf alles wat Hij had voor ons. God wil niet onze ‘tienden’, Hij wil ons hart. Of Hij dat heeft wordt o.a. duidelijk uit hoe we met ons geld omgaan.

De Bijbel leert dat de Wet beperkt was: die hield zich bezig met uiterlijk gedrag. Jezus gaat verder dan de Wet: ‘De Wet zegt…. Maar Ik zeg je….). Dat geldt ook voor dit onderwerp. Het was al heel wat als de mensen in het OT de Wet hielden en hun tienden gaven voor het onderhoud van de priesters, de tempeldienst en de armen. Maar Jezus gaat verder. Hij doet dat aan de hand van het ‘penninkske der weduwe’ (Luk. 21:1-4): zij gaf meer dan de anderen, want zij gaf alles en Hij prees haar daarvoor.

Haar hart was bij God en ze was bereid daar haar laatste geld voor te geven.

Het verhaal van de talenten gaat over een ruimhartig hart (de blijmoedige gever). Deze mensen stelden er hun eer in om met dat wat ze hadden God zoveel mogelijk te dienen. Daar lag hun hart. De ene slaaf paste alleen maar op de winkel. Hij was wellicht bang dat hij het geld zou verliezen. De Heer prijst de ‘risiconemers’ die niet vast zitten aan hun geld en er meer mee doen dan ze hadden gedacht.

 

2. Ananias en Sapphira: Hand. 5:1-11.

Voorafgaand lezen we hoe de eerste discipelen alles deelden en hoe Barnabas zijn hele bezit aan de kerk schonk (aan de ‘voeten der apostelen’, en niet zomaar ergens). De mensen waren zo toegewijd, dat dit een vrij normaal verschijnsel was.

De kern van dit verhaal is dat A en S vrij waren om over hun bezit te beschikken (5:4), maar dat ze ‘aan de buitenkant’ meededen aan het gebruik van ‘investeren’, maar niet met hun hart. Ze logen tegen God (5:4). Als we niet van harte geven, maar het doen omdat het van ons verwacht wordt, worden we niet gezegend, en zijn we oneerlijk tegenover God.

Slot:

 

Twee praktijkvoorbeelden van God dienen boven geld.

 

1.     De missie van de kerk en je naasten dienen door eerst aan God te geven en dan pas aan jezelf.

 

Geven aan de (gezonde) kerk, is geven aan het Koninkrijk van God. Want God gebruikt de kerk voor Zijn missie in de wereld: het evangelie van verlossing prediken en goed doen voor anderen.

Daarvoor is geld nodig: voor werkers, leiders, middelen, hulp etc.

Om te leren je prioriteiten van jezelf te verleggen naar God, helpt het om eerst aan God te geven (de eerstelingen) en de rest gebruiken voor jezelf.

Het gaat om ‘naar vermogen’, m.a.w. je moet in staat zijn om te kunnen leven.

Paulus: ‘Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn. Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.’ (1 Tim. 6:8,9).

Als je meer van God dan van je geld houdt, ga je wegen zoeken, prioriteiten stellen, afwegingen maken, zodat je met je bezit het Koninkrijk van God en anderen zegent, tot eer van God. Dat is niet vervelend, dat is een vreugde.

Sommige mensen moeten nog leren om te weten wat redelijk is, daarom kende het O.T. de ‘tienden’. Je zou dat als indicatie kunnen gebruiken. (vgl. de belastingdienst: 10 % giften mag je aftrekken).

 

2.     Investeren door minder te werken.

Sommige mensen kiezen ervoor om minder te gaan werken (en dus ook minder te verdienen) om de overgebleven tijd te investeren in het Koninkrijk. B.v. ‘healing centre’ in Ashford: fysiotherapie etc. gratis. Mensen geven een dag aan de dienst aan anderen, onbetaald.

Ook hier weer: als je genoeg hebt om te leven als je minder zou gaan werken, kun je besluiten om je surplus om te zetten in tijd voor de kerk; bv. gezondheidscentrum CCG (fysiotherapie, pastorale hulp, budgetbeheer etc.).

Iemand zei: ik wil meer winst maken met mijn bedrijf, niet om daar een Porsche van te kopen, maar om tijd vrij te hebben om de kerk te dienen.

‘Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn’ (Matth. 6:21; Luk. 12:34).