Herken je roeping

Inleiding

Vorige week sprak Daniël over Daniël en zijn drie vrienden. Dit waren vooraanstaande ballingen uit Juda die bij de koningen van Babel en Perzië belangrijke functies bekleedden (Daniël vergelijkbaar met MP – Dan. 6:4).

Kern van zijn preek was dat deze mannen in alles op God vertrouwden en weigerden zich te conformeren aan de cultuur om hen heen. Dat bracht problemen met zich mee, maar ze waren vastbesloten – of God ze nu zou redden of niet (zie Dan. 3:18) – en God zorgde voor uitredding.

Vandaag voortborduren op dit thema en in hetzelfde rijk aan de hand van Esther.

God heeft ons op aarde geplaatst met een bedoeling: Niet jullie hebben Mij, maar Ik heb jullie uitgekozen en jullie aangewezen, opdat je zou heengaan en vrucht dragen en je vrucht zou blijven, opdat de Vader jullie alles geeft, wat je Hem bidt in mijn naam (Joh. 15:16).

Aan de hand van het verhaal van Esther willen we stilstaan bij de achtergrond van wat we doen en waarvoor we in een bepaalde situatie terecht gekomen zijn.

Context

Voor een goed begrip van de situatie even een korte historische schets van de koningen van Babel en Perzië .

Niet alleen Gods dienaren hebben een rol in de wereldgeschiedenis, God gebruikt zelfs heidense vorsten daarvoor.

Voorbeelden

Hij gebruikt Nebukadnessar om het oordeel over Juda (Gods oogappel) te voltrekken, dat Hij hun had voorzegd.

Vervolgens gebruikt Hij de Perzische vorsten om een keer te brengen in Israël, opdat Jeruzalem en de tempel herbouwd kunnen worden als voorbereiding op de komst van de Messias.

God heeft bij alles wat Hij doet Zijn grote verlossingsplan in gedachten (vgl. Augustus en de geboorte van Jezus).

Dan. 4:17: de Allerhoogste heeft macht over het koningschap van de mensen en geeft dat aan wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste onder de mensen stelt Hij daarin aan.God gebruikt de vorsten voor Zijn doel, maar daarmee hebben ze niet Zijn gunst verworven. Hij geeft ze wat hen toekomt.op grond van hun motieven en hart!

In Jeremia 50 lezen we hoe God afrekent met het hoogmoedige Babel dat zich niet ontzien heeft om de handen naar Gods volk uit te strekken.

In Daniël 5 lezen we het verhaal van het schrift aan de wand, waarin God het einde van het Babylonische rijk aankondigt: Mene, mene, tefel Ufarsim: gewogen, gewogen en te licht bevonden. Nog diezelfde nacht wordt Belsassar, de kleinzoon van Nebuknessar gedood en neemt het rijk van Meden en Perzen de macht over.

En het zijn de Perzische vorsten die door God gebruikt worden om het herstel van Juda te bevorderen. Kores (Cyrus) wordt in de Bijbel zelfs Gods dienstknecht genoemd.

God zegt over Cyrus: ‘Dit is mijn herder, alles wat ik wil, brengt hij ten uitvoer: hij geeft opdracht om Jeruzalem te herbouwen en voor de tempel de fundering te leggen.’ (Jes. 44:28). En in Jes. 45:4-5 geeft Hij de reden voor Kores’ uitverkiezing: ‘Omwille van mijn dienaar Jakob, van Israël, dat ik heb uitgekozen, heb ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je me niet kende. Ik ben de HEER, er is geen ander, buiten mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je me niet kende.’

Maar ook het Perzische rijk zal vervolgens vallen, omdat het zich niet onderwerpt aan God. In Daniël 2 lezen we van de droom van Nebukadnessar. Waarin vier opeenvolgende rijken vernietigd worden: goud = Babylonische Rijk, zilver = Medo-Perzische Rijk, brons = het Griekse Rijk (begint met Alexander de grote en ijzer, (en een mengvorm ijzer en leem) = het Romeinde Rijk. Mengvorm ijzer en leem geeft de verdeeldheid binnen dit rijk aan: de hardheid en tegelijk de zwakte (Dan. 2:41-42).

Uit het niets (zonder toedoen van mensen – Dan. 2:34) raakt een kleine steen los die het beeld trof aan de voeten en het verbrijzelde. Deze kleine steen werd daarna tot een grote berg die de hele aarde vulde (Dan. 2:35).

Betekenis

Dit gezicht uit 602 v.C. beschrijft accuraat de val van de opeenvolgende wereldrijken en uiteindelijke de vernietiging van Rome en de verbreiding van het evangelie en de vestiging van het Koninkrijk van God op aarde met als bestemming de nieuwe aarde.

De verschillende materialen (goud, zilver etc.) verwijzen enerzijds naar een neergaande spiraal in waarde, moraal etc. van de verschillende koninkrijken, maar tegelijkertijd ook naar een vergrote taaiheid. Het laatste rijk (Rome) was zo verdeeld dat het hardheid (ijzer) aan zwakte, moreel verval, intriges etc. (leem) koppelt.

De kleine steen die losraakt (zonder mensenhanden) verwijst naar de komst van Jezus. De grote berg die dat wordt is het effect daarvan: de kerk van Jezus die de aarde vervult.

Kortom, God de Schepper van hemel en aarde heeft alles in Zijn macht en werkt door heel de wereldgeschiedenis heen aan Zijn verlossingsplan voor heel de mensheid. Een plan dat is begonnen met de komst van Jezus en dat voltooid wordt met de terugkeer van Jezus op aarde.

God gebruikt alles en iedereen voor Zijn doel en ondertussen zorgt Hij voor het welzijn van Zijn volk en voor het slagen van Zijn plan.

Rom. 8:28: Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn.

En in Zijn plan heeft Hij ons een plaats gegeven (opdat jullie zouden heengaan en vrucht dragen; Joh. 15:16).

En daarover gaat de geschiedenis van Esther.

Lezen: Esther 3:8-11; Esther 4:13-17; Joh. 15:16

Het verhaal

Esther is het nichtje van de jood Mordechai (een balling) die vanwege haar schoonheid door koning Xerxes (Ahasveros) wordt uitgekozen om de plaats van zijn verstoten vrouw in te nemen (koningin Vasthi). (Omstreeks 480 v.C.).

Deze Xerxes was een zwakke koning die veel bestuur aan zijn bestuurders overliet en gevoelig was voor de kritiek van invloedrijke mensen. Dat verklaart waarom

  • hij gevoelig was voor de leugens die ingebracht werden tegen Zerubbabel die met (N.B.) toestemming van zijn vader en grootvader bezig was de tempel in Jeruzalem te herstellen.
  • En het verklaart ook waarom hij Vasthi verstootte: zij deed hem gezichtsverlies lijden omdat zij niet bereid was als stoeipoes aan de vorsten van zijn rijk getoond te worden.
  • Dit verklaart ook Esthers angst om de zaak van Haman, een van de Konings favoriete leiders bij hem aanhangig te maken. Bovendien was ze al 30 dagen niet bij de koning geroepen; was zijn liefde aan het bekoelen?

Esthers neef Mordechai (tevens haar voogd) is een belangrijke figuur in het boek. Hij is een afstammeling van Saul, terwijl Haman, de grootvizier (een soort MP), een afstammeling is van Agag, de Amalekiet. Het was Saul die in 1 Sam. 15 de opdracht krijgt Amalek uit te roeien, maar daarin faalt. Zijn nakomeling krijgt alsnog de gelegenheid dat te doen.

Mordechai ontdekt een samenzwering tegen de koning, die verijdeld wordt. Dit wordt op schrift gesteld.

Omdat Mordechai vanuit zijn trouw aan god weigert voor Haman te buigen, verzint deze een plan om alle Joden in het hele rijk uit te roeien (hij was een voorloper van Hitler).

Voor dit plan werpt hij het lot op de eerste maand. Waar uit komt dat het plan op de 12e maand moet worden uitgevoerd. Dat gaf dus bijna een jaar om het plan te verijdelen. God had ook het lot beïnvloed!

In dit verijdelen van het plan speelt Esther een hoofdrol, omdat zij volgens Mordechai ‘juist voor deze dag’ haar Koninklijke waardigheid heeft ontvangen.

Terwijl Haman bezig is met de voorbereidingen voor zijn plan en zelfs Mordechai al eerder op een paal wil laten spietsen, grijpt God in door een slapeloze nacht van de koning die ontdekt dat Mordechai nooit een beloning heeft gehad. Hij draagt Haman (die denk dat hij de gehuldigde zal zijn) op dit uit te voeren.

Hierin wordt de voorzienigheid God zo zichtbaar dat Hamans vrouw Zeres denkt dat dit weleens het begin van het einde zou kunne zijn, omdat Mordechai ‘uit het zaad der Joden is’. Zelfs zij kende de roem van God als beschermer van de Zijnen.

De afloop is duidelijk: Esther neemt de moedige stap in geloof (‘kom ik om, dan kom ik om’) en wendt daarmee het onheil voor de Joden af.

Conclusie

Misschien was Esther zich aanvankelijk niet heel duidelijk van haar bestemming bewust, Mordechai als godvrezende man wel.

Zijn geloof in Gods voorziening is groot. Als Esther ongehoorzaam zou zijn, zou God wel op een andere manier voor uitkomst zorgen (Esther 4:14), al heeft hij waarschijnlijk geen idee hoe.

Gaandeweg groeit Esther in haar rol als ‘verlosser’ voor haar volk en durft steeds grotere gunsten aan de koning te vragen.

Esther is het boek van Gods voorzienigheid en bescherming. Hij doet dat m.b.v. mensen, maar is er niet van afhankelijk. Als Esther de opdracht tot het vasten geeft, weet ze dat dit niet als dwangmiddel werkt (vgl. de mannen in de oven). Het is misschien meer een oefening van geloof en gebed dan wat anders. Want:

‘Kom ik om, dan kom ik om’ en

‘Indien niet, dan nog buigen wij niet voor het beeld’.

Dit is een houding van geloof en godsvrucht en niet ‘name it and claim it’.

Toepassing:

Herken en erken je bestemming betekent:

  • Leef bewust; je bent niet ‘toevallig’ ergens in een positie. Benut deze positie (baan of werkloos of wat anders) t.b.v. het Koninkrijk van God en God zal het doen werken.
  • Neem je besluiten niet op basis van wat je ziet of veronderstelt (‘ik zal misschien sterven’), maar op grond van het geloof dat God zal voorzien.
  • Geloof dat God ‘alle dingen doet meewerken ten goede voor wie Hem liefhebben’.
  • Maak je keuzes voor een vrouw, opleiding, carrière etc. op basis van je roeping als kind van God, ‘opdat je vrucht zou dragen en je vrucht zou blijven’.