Ingaan in Gods rust

Joop preekt over ingaan in Gods rust.

 

Emmanuel heeft onlangs gesproken over gebed als moment om te “herfocussen” op Jezus en tijd nemen om Hem centraal te zetten.

Hij vergeleek daarin het bidden met b.v. hardlopen en zwemmen.

Bij zwemmen heeft iedereen de neiging af te wijken van de rechte lijn. Daarvoor heb je bij zwemwedstrijden boeien (bij zwembaden lijnen). Af en toe moet je daarnaar kijken om je af te vragen: zit ik nog wel op de goede lijn?

Met bidden is het net zo: we wijken af door de zwakheid van ons vlees, door drukke agenda’s, allerlei bezigheden en focussen. Jezus is onze boei: hoe meer we naar Hem kijken, hoe rechter de weg. Bidden is in feite focussen op Hem. Regelmatig bidden is dus regelmatig focussen op Jezus.

 

Hoe kun je je gebedsleven verbeteren? Hoe kun je van bidden een soort ‘tweede natuur’ maken? In ieder geval door altijd en bij alles te bidden (‘dankt onder alles’, ‘altijd bidden’).

Hoe ontwikkel je die tweede natuur? Vergelijking met hardlopers.

  1. Motivatie is belangrijk (sporters). Motivatie is niet dwang, discipline etc., maar omdat je ervan houdt. Liefde, passie, vreugde is de motivatie.
    Je bidt omdat je van Jezus houdt, bij Hem wilt zijn.
  2. Consistentie (regelmaat): maak elke dag wat tijd voor Jezus. Je begint niet als een kampioen, maar als een beginner (leerling = discipel)
  3. Discipline en volharding omdat het lichaam zwak is. Je hebt de Heilige Geest nodig om de zwakheid van het vlees te overwinnen.
    1 Kor. 9:27: ik disciplineer, ik train mijn lichaam. Dat doe je niet omdat het moet, maar omdat je graag wilt bidden en daarvoor de natuurlijke ‘zwakheid’ moet overwinnen.

 

In zijn voorbereiding dacht hij aan nog meer dan gebed als manieren om te herfocussen op Jezus, zoals het principe van wekelijkse sabbat, maanden, seizoenen en de (drie) grote feesten van Israel waarin het volk in feite wordt opgeroepen tot een heilig “niksen” tot eer van God.

Vandaag wil ik graag spreken over een ‘heilig niksen’.

 

Lezen: Gen. 1:31-2:3; (Hebr. 3:12-4:4:14)

 

De eerste hoofdstukken van Genesis laten ons de wording van alle dingen zien (Genesis = oorsprong, ontstaan).  Dit heeft twee belangrijke implicaties:

1.    De Bijbel leert ons hoe alles door God (lett. Door Zijn Woord) tot stand is gebracht:  Hebr. 11:3: Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare..; vgl. Ps. 33:9: Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er. 
De schepping van het universum en mens en dier was een groots creatief werk van God, dat mensen vandaag proberen te devalueren tot een ‘toevalligheid’ of een ingenieus biologisch proces. Maar de Bijbel is duidelijk: God heeft het bedacht én uitgevoerd.

2.    In deze eerste hoofdstukken worden door God ook principes ‘geschapen’. M.a.w. eeuwigdurende ‘wetmatigheden’ die bepalend zijn voor de mens, ook nog nu:
– De mens als beelddrager van God: heersen, scheppend, eigenschappen e.d.
– Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij sterven: wat je zaait zul je oogsten
– Het huwelijk: daarom zal een man……
– De positie en de verschillen tussen man en vrouw. Die zijn niet cultuurbepaald, maar gevolg van de scheppingsorde.
– de noodzaak om tot rust te komen en om te ontspannen

Vandaag dus het principe: de Sabbatsrust.

 

Achtergrond:

Om dit principe te begrijpen, moeten we zien wat Genesis zegt over God en over Zijn Sabbat.

·         2:1: In zes dagen voltooide God zijn hele schepping in al zijn grootsheid. God gaf zelf de kwalificatie: ‘het was zeer goed’.

·         Daarna ging God rusten. Het woord ‘rusten’ (‘shabat’)  kan ook weergegeven worden met ‘onderbreken’ ‘stoppen’. M.a.w. God was klaar; Zijn creatief werk zat erop; God was tevreden en ging nu genieten!

·         God rustte niet, omdat Hij moe was (Ps. 121:4: ‘sluimert noch slaapt’; Jes. 40:28: noch moede, noch mat). God is onuitputtelijk, Hij is een eeuwig God. Hij zou oneindig kunnen doorgaan met scheppen. Maar Hij koos ervoor om te ‘stoppen’ en te genieten van het werk en van Zijn schepping.
Je zou kunnen zeggen: God schiep rust: Hij zegende de zevende dag en heiligde die (Gen. 2:3). Hij maakte van de zevende dag een bijzondere dag: een dag om in Zijn rust in te gaan.

·         Anders dan bij de eerste zes dagen, wordt er geen einde genoemd aan de zevende dag (geen ‘avond en morgen’). M.a.w. de ‘rust die God geeft’ is niet tijdelijk, maar oneindig: die begint hier en wordt vervuld op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het is het oneindig ‘zijn’ in Gods tegenwoordigheid.

 

God ‘woont’ in Zijn rust:

Jes. 66:1: Zo zegt de HERE: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar de plaats mijner rust? Daarmee verwijst Hij naar de tempel, waarvan Salomo zegt: Zou God dan waarlijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb (1 Kon. 8:27). 
De tempel diende als woon- en rustplaats van God, maar Stephanus zegt daarover in zijn preek tot de Joden: De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt, zoals de profeet zegt: De hemel is Mij ten troon, en de aarde een voetbank mijner voeten. Wat voor huis zult gij Mij bouwen, zegt de Here, of wat is de plaats mijner rust? Heeft niet mijn hand dit alles gemaakt? (Hand. 7:48-50).
M.a.w. sinds Christus woont God niet meer in een fysieke plaats en is er geen sprake meer van een fysieke dag (vgl. tekst). God woont te midden van Zijn tempel (= de kerk) en nodigt Zijn mensen uit tot Zijn rust = het komen in Zijn tegenwoordigheid (vgl. Kom allen tot Mij….).
En net zo goed als we geen fysieke tempel meer voor God bouwen, hebben we ook geen fysieke Sabbat meer, hetzij op zaterdag of op zondag. Anders is het Oudtestamentisch onderwijs in een ‘christelijk jasje’ (‘hoe lang mag ik in het bos wandelen? Auto rijden?’).

 

De betekenis van de Sabbatsrust voor Israël:

Voor Israël was de Sabbatsrust in de eerste plaats een Wet.

In Ex. 20:8-11 wordt de Sabbatsrust genoemd als onderdeel van Gods Wet voor Zijn volk, met als reden ‘dat de Here rustte op de zevende dag van al Zijn werk’.

En in Ex. 32:12-17 noemt Hij het ‘een teken tussen Mij en u’. Het is een exclusieve opdracht aan het volk Israël als onderdeel van het exclusieve verbond dat Hij met Israël sloot en waarvan de besnijdenis het teken was, net als het houden van de Sabbat.

Hierdoor begrijpen wij het fanatisme van de Joden tijdens Jezus’ leven op aarde als het om het houden van de Sabbat ging.

Maar omdat het onderdeel van de Wet was (en niets iets van het hart), waren de Joden ook meesters in het ontduiken van de Wet (vgl. een Sabbatsreis, ong. 1 km.).

 

M.a.w. de Sabbat was een voorschrift voor Israël, waarop ze voortdurend werden herinnerd aan het feit dat God alles gemaakt had én aan het feit dat ze tijd nodig hadden om tot rust te komen en er voor God te zijn.

 

De betekenis van de Sabbatsrust voor de kerk van Jezus Christus:

Echter, in Christus zijn we vrijgekocht van de wet (Gal. 3:13) en geldt de wet niet meer voor ons. Sterker nog, allen die het van werken der Wet verwachten liggen onder de vloek (Gal 3:10) Ver van de genade zijn zij.

Hoewel Jezus wel geboden herhaalt in het N.T. noemt Hij dat van de Sabbat niet en Paulus zegt in: Kol. 2:16,17: Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is. 

(vgl. Hebr. 8:13: Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.)

 

De eerste christenen kwamen bijeen op de Sabbat, totdat ze door de vervolging werden verdreven. Geleidelijk aan ontstond de praktijk van het elkaar ontmoeten op de ‘eerste dag der week’, de zondag (Hand. 20:7; 1 Kor. 16:1-3; Opb. 1:10). In Matth. 28:1 en Joh. 20:1 wordt voor Jezus’ Opstanding heel expliciet de ‘eerste dag der week’ genoemd. Zoals de 7e dag de voltooiing was van wat God gemaakt had, is de 1e dag de dag van een nieuw begin in Christus: ‘het oude is voorbij gegaan, zie het nieuwe is gekomen’ (2 Kor. 5:17).

Met het vieren van de zondag als ‘dag van de Heer’ wordt dus iets heel anders herdacht dan met het vieren van de Sabbat. De Sabbat hoort bij de oude schepping en was specifiek aan Israël gegeven, de dag des Heren behoort bij de nieuwe schepping en de gemeente van de Here Jezus.

De Sabbat hoort bij de Wet (‘wie dat doet zal leven’) en is de rust die volgt op het werken, de ‘dag des Heren’ spreekt over de genade in Christus; van de rust in Hem van waaruit we de week ingaan.

Het zijn dus twee heel verschillende dagen. Als mensen de Sabbat (zaterdag of zondag) houden, doen ze dat uit onwetendheid met het principe van de nieuwe schepping, waarover we ze niet moeten oordelen (vgl. Rom. 14:5,6), maar waartoe we ons niet moeten laten verplichten!

 

De Sabbatsrust die blijft:

Wat bedoelt Hebr. 4 dan met de tekst: er blijft dus een Sabbatsrust voor het volk van God (4:8)?

 

Er wordt in Hebr. 4 verwezen naar de situatie waarin Israël het Beloofde land binnen ging (4:8), de bestemming van het volk: het land overvloeiende van melk en honing. Hoewel God hen rust beloofd had van hun vijanden (Deut. 12:10), is dit niet de rust waarover dit gedeelte spreekt, want de Hebreeënschrijver verwijst naar een passage die lang na de intocht is geschreven (Ps. 95), waarin God opnieuw een dag vaststelt (Hebr. 4:7) waarop de mensen tot Gods rust kunnen ingaan.

In Ps. 95 wijst Hij vooruit op de ‘eeuwige rust’ die we in Christus ingaan: de rust die God geeft, omdat we geloven in het volbrachte werk van Jezus op Golgotha.

De sleutelverzen hier zijn 4:9,10: wij gaan tot Gods rust in als wij aan het ‘einde van onze werken zijn gekomen en ons ten volle overgeven aan datgene wat God voor ons bewerkt heeft: de verzoening door Jezus Christus.

 

Een kenmerk van het leven als kind van God is ‘rust’.

Jezus leefde volkomen ontspannen, zelfs toen Hij op weg was naar Jeruzalem voor Zijn einde. Hij wist dat Zijn Vader alles onder controle had. Daaruit leefde Hij.

We zien het bij Petrus die ‘lag te slapen’ in de gevangenis in afwachting van een mogelijk doodvonnis van Herodes (Hand. 12). Hij wist wat Jezus zei in Matth. 10:29,30: ‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. 30Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld.’

Bij Paulus zien we hetzelfde: in de gevangenis van Filippi ‘zongen hij en Silas Gods lof’. Ze waren gegeseld, ze zaten in het blok, ze wisten niet wat hen wachtte, en toch waren ze ontspannen.

 

Het geheim van deze allen was hun volkomen vertrouwen op God. Uit handen geven van wat je zelf kunt doen en geloven dat het zo zal gaan als God het wil.

 

Wat kan ons hinderen tot deze rust in te gaan?

In Hebreeën stelt de schrijver op diverse plaatsen Israël als voorbeeld van hoe het niet moet, zo ook hier. En maant ons niet dezelfde fouten te maken die zij maakten:

1.    Ongeloof (3:19; 4:2, 11). Tijdens hun tocht door de woestijn gaven de Israëlieten er voortdurend blijk van, God niet op Zijn woord te vertrouwen. Vanwege hun ongeloof konden ze daarom het Beloofde Land niet binnen gaan. Ongeloof is feitelijk niet vertrouwen dat God doet wat Hij zegt!
Als we niet geloven dat Jezus’ verzoenend werk voldoende is geweest voor onze redding, zullen we niet tot Gods rust ingaan, daarom >>

2.    Eigen werken (4:10). We moeten niet langer vertrouwen op onze eigen werken om God daarmee te behagen. In zijn onderwijs aan de Romeinen en de Galaten maakt Paulus duidelijk dat als we iets proberen toe te voegen aan onze behoudenis door eigen werk, we buiten de genade staan.

3.    Verharding van je hart (4:7). Voortdurend stelde het volk Gods voorziening ter discussie; plaatsten ze hun eigen mening en inzichten boven wat God had gezegd. Ook christenen doen dat. Feitelijk is dat niet anders dan een verhard en onwillig hart. Dat kan ons afhouden van het ingaan in Gods koninkrijk.

 

Hoe gaan we deze rust in?

De gezindheid van ons hart is bepalend of we deel hebben aan het nieuwe leven in Christus (vgl. de Farizeeër en de tollenaar: ‘Here wees mij zondaar genadig’).

‘De mens ziet aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan’ (1 Sam. 16:7). Hij raakt niet onder de indruk van onze performance, noch positief, noch negatief; Hij wil ons hart (‘mijn zoon, geef Mij je hart’). Waaruit blijkt dat God mijn hart heeft?

 

·         Doordat ik geloof hecht aan wat Hij zegt over mijn leven en mijn situatie;

·         Doordat ik er ernst mee maak (4:11) mij te laten verlossen door de genade van Jezus Christus;

·         Doordat ik het Woord geloof en dat Zijn werk laat doen (4:12 en 13) vgl. het geloof komt door het horen van het Woord, niet door mijn overredingskracht;

·         Doordat ik weiger om God of mensen te imponeren door mijn eigen werken (vgl.  Paulus: alles wat mij winst was, heb ik schade geacht (Filip. 3:7); en ‘wie roemt, roeme in de Here’(1 Kor. 1:31).

 

Behalve rust/ontspanning roept de Bijbel ook op tot vreugde: de vreugde in de Here is onze toevlucht (Neh.). Dit zien we terug in de inzetting van de jaarfeesten.

 

De jaarfeesten.

 

In Lev. 23 krijgt het volk uitleg over de drie grote feesten van Israël.

Op drie vastgestelde tijden in het jaar (vroege voorjaar – Pesach, late voorjaar –Wekenfeest, najaar – Loofhuttenfeest).

 

Dan moest het volk feestvieren (Pasen en Loofhuttenfeest 7 dagen) en mocht niet werken. Het Hebreeuwse woord voor ‘feest’ is chag en betekent ‘feest’, ‘feestelijke bijeenkomst’. Afgeleid van het ww. chagag dat ‘feest vieren’, ‘dansen’, ‘wankelen’ betekent.

 

Deze feesten waren bedoeld om te vieren, om blij te zijn, om te ontspannen en niet als een soort plechtig ritueel. Er wordt gesproken van eten en drinken (wijn).

De bedoeling was dat mensen zich zouden verheugen in de Heer.

Zoals ‘bidden’ betekent dat je je op Jezus focust en intiem met Hem spreekt, zijn de feesten bedoeld om je op Hem te focussen met vreugde en als dank voor alles wat Hij gedaan heeft.

 

Deze feesten stonden in het teken van de grote dingen die God voor Zijn volk gedaan heeft en doet:

Pasen:            de Uittocht (OT); sterven en Opstanding van Jezus (NT)

Pinksteren:    Begin van de oogst, vreugde over het ontvangen van de Wet (OT), het begin van de ‘oogst van de volken’,de uitstorting van de Heilige Geest (NT)

Loofhuttenfeest: de voltooiing van de oogst, Gods voorziening tijdens de reis door de woestijn (OT), God met ons tijdens onze ‘reis’ op aarde, de wederkomst van Jezus(?) (NT).

 

In Joh. 7:37-39 geeft Jezus een nieuwe invulling aan het Loofhuttenfeest:

‘Op de laatste, belangrijkste dag van het feest was Jezus in de tempel. Hij riep tegen de mensen: ‘Als je dorst hebt, kom dan bij mij om te drinken! 38Want dit zeggen de heilige boeken over mensen die in mij geloven: «Ze zullen altijd vol levend water zijn.»’ 39Met dat levende water bedoelde Jezus de heilige Geest. Want iedereen die in Jezus gelooft, zou de heilige Geest in zich krijgen.’

 

Conclusie:

De sabbat, de grote feesten waren niet om mensen een gebod op te leggen of het leven zwaar te maken. Ze waren bedoeld als bezinningsmomenten op God, als momenten van vreugde en ontspanning.

Hiermee laat God zien dat Hij ervan houdt als wij als Zijn kinderen genieten van Hem, van Zijn aanwezigheid, van het goede dat Hij geeft.

 

Christen zijn betekent niet God tevreden te stellen door onze (christelijke) werken. Dat is heidens, dat is wetticisme. Christen zijn betekent verlangen naar een leven met Jezus, waarin we Hem in ons leven laten werken en genieten van Zijn tegenwoordigheid. Dan is Christen zijn een ontspannen leven; een sabbatsrust!

 

Laten we tot die ‘sabbatsrust’ ingaan.