Startdienst 2


Vorige week heeft Emmanuel gesproken over de volgende fase van de kerk: de fase van de oogst. Hij heeft teruggeblikt op hoe de kerk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld heeft. We zijn als kerk niet ad-hoc bezig, er zit een doorgaande lijn in de ontwikkeling en de opdracht van de kerk. Vanaf 2001: afbreken, restaureren, fundament leggen, structuur aanbrengen, leiders trainen en ontwikkelen, ontwikkelen en overbrengen van kerk-DNA.

Net als het leven, kent ook de kerk seizoenen.
In de afgelopen tien jaar was het seizoen van de restauratie. In die tijd was er ook een profetisch woord van sloten graven als voorbereiding op datgene wat komen ging. In termen van de natuur: op de regen die God zou gaan geven..
Nu is dus het seizoen van de oogst aangebroken. Elk seizoen kent zijn eigen type leiderschap en eigen werkwijze. Voor zaaien en planten heb je andere vaardigheden, kennis en gereedschap nodig dan voor oogsten. Maar er wordt niet geoogst zonder te zaaien en te planten.
Zoals Emmanuel vorige week zei: Joop heeft geplant, ik heb begoten, maar God geeft de groei. Wie plant of begiet betekent niets, maar God die de groei geeft.
God geeft voor elk seizoen van de kerk de leiders die voor dat moment nodig zijn. Vandaar de transitie.

Maar net als bij zaaien en planten, moet je als kerk ook oogsten leren en ontwikkelen. Daar gaan we in dit seizoen mee bezig, met als resultaat ongelovige mensen die Jezus leren kennen, nieuwe kerken die geplant worden etc. Vandaag spreken over de voorbereiding op de oogst aan de hand van de geschiedenis van Noach (Gen. 6 en 7) en een gedeelte uit Mattheüs 24.

 

Lezen: Gen. 6:5-8; Gen. 6:12-22;  Gen. 7:1-5 en Mat. 24:37-39

Inleiding

De kerk is door God gezonden met een roeping: de boodschap van redding verkondigen en zichtbaar maken hoe God het leven bedoeld heeft. God wil in principe dat alle mensen met Hem verzoend worden (vgl. 2 Petr. 3:9), maar mensen zijn zo met zichzelf bezig, dat ze daar geen aandacht aan schenken. Zonder dat ze het weten koersen ze aan op een catastrofe; een eeuwige scheiding met God. De Bijbel noemt dat de hel.

De taak van de kerk is o.a. om de mensen te waarschuwen, voor te bereiden op wat komt. Dat hoeft niet beslist door te ‘preken’ tegen de mensen, maar vooral om het ‘licht’ van onze relatie met God te laten schijnen in de wereld om ons heen. Jezus zei: ‘Jullie zijn het licht van de wereld en je moet zichtbaar zijn’. Een kerk die vooral bezig is met zichzelf, met haar eigen welbevinden, haar eigen organisatie etc. is niet zichtbaar voor de wereld en heeft haar roeping gemist. Toen Jezus Zijn discipelen op pad stuurde zei Hij: ‘Wat ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken.’

Wij hebben het leven gevonden, wij hebben uitzicht op datgene wat God beloofd heeft, nl. om in alle eeuwigheid met Hem te leven. En dat moet ons motiveren om te ‘bidden om arbeiders voor de oogst’, zodat we op een effectieve manier de mensen om ons heen Gods aanbod van verlossing kunnen laten zien. De kerk is niet op de aarde gezet om onzichtbaar te zijn, maar voor iedereen duidelijk aanwezig, zelfs als dat de mensen tegen ons op zou zetten. Aan de hand van de Bijbelgedeeltes 5 gedachten die ik mee wil geven.

1. God geeft de kerk een opdracht die we nauwgezet moeten uitvoeren.

Noach moest Gods plan voorbereiden. Daartoe gaf God hem gedetailleerde instructies die hij nauwgezet moest opvolgen. Genesis 6 beschrijft in detail hoe de ark eruit moest zien. En Noach dacht niet: het is misschien mooier om het raampje wat groter te maken, of i.p.v. 140 meter is 100 meter ook genoeg. God gaf nauwgezette maten voor Zijn plan van lijfsbehoud en Noach voerde die precies zo uit. Hij moest doen wat zijn opdracht was, het vervolg van Gods plan was aan God. In Handelingen 2:41-47 zien we een vergelijkbare situatie. De discipelen krijgen in Hand. 1 de opdracht te blijven wachten op de Heilige Geest om daarna met kracht vervuld aan de opdracht van Jezus te werken. Hun taak was niet om de mensen 'toe te voegen', dat was Gods aandeel, hun taak was om 'getuigen te zijn'. En dat is precies wat Petrus en de anderen deden op de 1e Pinksterdag. De les voor ons uit de geschiedenis van Noach en het begin van de gemeente is, dat wij moeten doen wat wij moeten doen en God laten doen wat Hij doet. (B.v. niet bidden voor de oogst, maar om arbeiders).

2. De toepassing van dit principe voor CCG: ons werk en Gods werk.

Vgl. de profetie over 'sloten graven': dat is/was onze taak; God moet de mensen brengen. V.b.: leiders. Wij bidden om leiders, wij onderscheiden de leiders van de rest van de gemeente, wij voorzien in training en zorgen ervoor dat ze gelegenheid tot groei en oefening krijgen. Het is Gods werk om leiders toe te voegen, zodat de kerk kan groeien, of dat nieuwe kerken geplant kunnen worden. Wij kunnen geen nieuwe gelovigen toevoegen, wij kunnen wel zorgen dat we alles 'in place' hebben om mensen die God toevoegt te kunnen opnemen in de kerk en ze te discipelen.

Wat zijn de 'sloten' die wij daarvoor moeten graven?

  • Zorgen voor een welkome atmosfeer, waar de vrede van God merkbaar is;
  • Zorgen voor een goede 'wachter', b.v. Heldere theologie, intro-cursus enz.
  • Zorgen voor een 'pastoraal klimaat'. D.w.z. open oog voor de oprechte noden van mensen, hulpaanbod etc.
  • Het Kleine Groepenwerk zodanig organiseren dat vandaar uit nieuwe kerken, wijkgemeentes e.d. kunnen ontstaan.

Twee belangrijke zaken waar ik mij namens het oudstenteam mee zal bezig houden voor dit seizoen zijn:

Ontwikkeling leiders:
Leiderschap is essentieel voor de kerk. Je kunt niets ontwikkelen als je geen leiders hebt. We willen als kerk leiders optimaal ontwikkelen:
– door training, cursussen, sprekersavonden etc.
– het team van Oudsten en Leiders: mannen en vrouwen die we willen ontwikkelen in leiderschap
– bewuster het potentieel van vrouwen in leiderschap ontwikkelen en benutten
– trainingen binnen RM inzetten: LEAD: 2 jaar, 10 vrijdagen en zaterdagen per jaar. Kost enige opoffering, van beide partners, maar het is een training van niveau.

Ontwikkeling kerkplanten en multi-sites:
– uitgangspunt: sterke Kleine groepen die langzaamaan uitgroeien tot kerkplanten of wijkgemeentes
– het trainen van leiders voor deze kerkplanten
– in de provincie: op plaatsen inzetten om daar op termijn een levensvatbare, zelfstandige kerk te ontwikkelen (Leek, Zuidhorn, Middelstum, Assen, O-Groningen)
– ondersteunen van verwante kerken in herstel van de kerk, waar gewenst.

3. Als wij Gods aandeel gaan doen, doen we iets niet goed.

Het enige dat Noach moest doen was een ark bouwen. God zou voor het water zorgen. Het enige dat de discipelen op Pinksterdag moesten doen was bereid zijn om de Geest welkom te heten en getuigenis af te leggen. God zorgde voor de omstandigheden: een drukke feestdag met veel volk op de been. En bovendien gaf Hij kracht aan het gesproken woord, o.a. door 'wonderen en tekenen' door de Heilige Geest. Als wij onze energie steken in dingen die God moet doen (b.v. de mensen verzamelen, c.q. toevoegen) en daardoor de dingen die wij moeten doen, verwaarlozen, doen we iets niet goed. We gaan dan a.h.w. op Gods stoel zitten en verwaarlozen we de opdracht die God ons heeft gegeven.
Voor CCG geldt dat we moeten nagaan of 'alle sloten' gegraven zijn, of dat er nog meer nodig zijn of verder uitgediept moeten worden. Als we dat doen en gedaan hebben, zal God naar Zijn belofte, de 'regen' geven.  Dit vraagt geloof: nadat Noach in de ark was gegaan, duurde het nog 7 dagen voor de regen begon en nog 40 dagen voordat alles overspoeld was. M.a.w. het vraagt geloof om ‘af te wachten’, nadat wij gedaan hebben wat we moesten doen. Na Jezus’ hemelvaart waren de discipelen onafgebroken bijeen en het duurde 10 dagen voordat Gods belofte kwam. Het gevaar van ‘wachten’ is dat we twijfelen of God wel gaat werken. Daarom herinneren we onszelf voortdurend aan de beloftes die God gegeven heeft en kijken we terug op wat Hij al gedaan heeft (b.v. solide kerk met veel leiders).

4. de kerk, een ‘openbaar’ lichaam.

Opvallend is dat de bouw van de ark van Noach een  'publiek' gebeuren was: zo'n groot schip bouwen kon niet onopgemerkt blijven, evenals het verzamelen van de dieren en het voedsel. In 1 Petrus 3:19 en 20 verwijst Petrus hiernaar als hij suggereert dat de mensen 'ongehoorzaam' bleven tijdens de bouw van de ark. En ook Christus Zelf verbleef drie jaar onder de mensen om ze de gelegenheid te geven te kiezen. 

Op de eerste Pinksterdag zien we hetzelfde: de uitstorting van de Geest ging met zo'n geweldig geluid gepaard, dat de aanwezige menigten erop af kwamen. God had het moment gekozen dat mensen uit alle landen en talen bijeen waren en ze hoorden de discipelen in 'hun eigen taal' spreken. M.a.w. God doet niet aan 'achterkamertjespolitiek'; Hij volvoert Zijn plan in alle openheid. Dus ook de gemeente is geroepen om zichtbaar te zijn (een stad op de berg) en de aandacht te trekken. Dit heeft consequenties voor hoe we leven als christenen (individueel en samen), hoe we onze samenkomsten, Kleine Groepen, ons familieleven etc. vorm geven. Is het openlijk christen zijn voor ons een vanzelfsprekendheid, zoals die was bij Daniël en zijn drie vrienden? De samenleving wil de christenen marginaliseren, opdat het Koninkrijk Gods niet zichtbaar zal zijn. Onze taak is niet in de eerste plaats evangelisatie-acties e.d. organiseren, maar zichtbaar worden als gelovigen en als kerk. Een 'getuige' dringt niet tegen wil en dank zijn verhaal op, maar wordt kenbaar als iemand die erbij aanwezig was en het verhaal kan doen. Maar dan moeten de mensen om ons heen ons wel als getuigen herkennen.

5. De conditie van de wereld vóór Jezus’ komst.

In Lukas 17 en Mattheus 24 vergelijkt Jezus de tijd voorafgaand aan Zijn wederkomst met de de 'dagen van Noach': de mensen leven doelloos hun narcistisch leven (ze aten en dronken en trouwden) en merkten niet op wat er stond te gebeuren: de zondvloed die een einde aan al het leven op aarde maakte. Lukas voegt daar nog een vergelijking uit de dagen van Lot aan toe. Uit Genesis weten we dat deze mensen een liederlijk leven leefden, waarin elke Goddelijke moraal verbannen was, zoals in onze tijd. Ook dezen leefden voort totdat plotseling 'vuur en zwavel' uit de hemel regende. 'Op dezelfde wijze zal het gaan op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt', zegt Jezus in Luk. 17:30.

Uit dit alles blijkt, dat er mensen zijn die willens en wetens ontgaat dat God hen ter verantwoording zal roepen. De taak van de gemeente van Jezus is niet het gedrag van de mensen aan te spreken, maar er te zijn als een getuige van de komende koning, zodat mensen die willen 'ontkomen aan het verderf dat in de wereld heerst' weten bij wie ze moeten zijn. Een beetje vergelijkbaar met de situatie van de melaatsen bij de poort: 'ook al hebben ze ons verstoten, wij moeten onze volksgenoten vertellen dat er voedsel is'. Niet mensen wijzen op hun zonde of tekortkomingen, maar vooral laten zien waar het gras werkelijk groen is: in het Koninkrijk van God, vertegenwoordigd door de kerk. 'Come with us and it will do you good'.