Gods verlangen naar een groot gezin


Joop legt op basis van de Bijbel uit dat God er naar verlangt een groot gezin te hebben.

 

Hebreeën 11:13-16

Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet, en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten. 14 Door zo te spreken lieten ze blijken op doorreis te zijn naar een vaderland. 15 En daarmee bedoelden ze niet het vaderland waaruit ze weggetrokken waren, anders waren ze daarheen wel teruggekeerd. 16 Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter vaderland: het hemelse. Daarom schaamt God zich er niet voor hun God genoemd te worden en heeft hij voor hen een stad gereedgemaakt.
Kolossenzen 3:1-4
Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. 2 Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. 3 U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. 4 En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met hem, in luister verschijnen.
 
 

Afgelopen week sprak Goff in de middagdienst over Gods verlangen naar één grote familie. Zijn huisgezin. Dit is feitelijk de doorgaande lijn in heel Gods geschiedenis.

Dat begint in Genesis: laat ons mensen maken naar ons beeld en onze gelijkenis (Gen. 1:26). Vanaf het begin was het Zijn verlangen om met Zijn mensen te vertoeven: God wandelde in de avondkoelte (Gen. 3:8).

En de Bijbel eindigt hiermee: ‘God zal wonen bij de mensen (Openb. 21:3).

Met andere woorden God heeft de mensen geschapen voor Zijn heerlijkheid (his glory; John Piper): Hij wou van ons genieten, zoals een kunstenaar geniet van datgene wat hij gemaakt heeft. Maar Hij wou ook dat wij genieten. En daarom gaf Hij de mens een perfecte leefomgeving (het ‘paradijs’) en de opdracht om de aarde te vervullen en over haar te heersen (vgl. het kinderen willen krijgen is een uitvloeisel van Gods vermenigvuldigingsprincipe – vervul de aarde).

Behalve voor Gods plezier is de mens ook geschapen om te genieten van en te werken met en aan deze schepping. Dit is de ultieme vreugde voor een mens om vanuit zijn zekerheid en identiteit in God deze aarde te bewerken. En ook dat verlangen zien we steeds bij mensen terug (niemand wil eigenlijk niet meer werken).

Zoals bekend gooide satan, Gods tegenstander, met de medewerking van de mens, roet in het eten. Maar ‘God is getrouw, Zijn plannen falen niet’ >> dus zocht God een nieuwe weg om het onmogelijke mogelijk te maken. God had gesproken ‘ten dage dat je daarvan eet, zul je sterven’. Gods Woord is onomkeerbaar. Hij kon niet zomaar aan Zijn eigen woorden voorbijgaan. En daarom moest Hij iets bedenken, dat zowel het effect van Zijn Woord gestand deed, als de mogelijkheid bood om opnieuw met de mens te beginnen.

Die oplossing vond Hij in Jezus, die als de perfecte mens, alleen in staat was om ons deel van Gods vloek af te wentelen én die als God, de Perfecte Zelf, alleen in staat was nieuw leven te scheppen:

‘daarom is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen’ (2 Kor. 5:17).

Het einddoel van deze nieuwe schepping is het eeuwige leven met Hem:

‘Maar nu, bevrijd van de zonde en in de dienst van God gekomen, heb je tot vrucht je heiliging (toewijding aan God) en als einde het eeuwige leven’ (Rom. 6:22).

Paulus beschrijft deze overgang van het oude tijdelijke bestaan naar het nieuwe, eeuwige bestaan met God als volgt in zijn 2e brief aan de gemeente in Thessalonika:

‘Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, 17 en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. 18 Troost elkaar met deze woorden.’ (1 Thess. 4:16-18).

De tussentijd

Tussen de situatie in het Paradijs en de laatste situatie waarin we voor altijd bij God zullen zijn, speelt zich de wereldgeschiedenis af, onze geschiedenis.

Vanuit Gods perspectief leven we dus in een tussenfase, tussen Zijn oorspronkelijk plan, dat verstoord werd door de zondeval en Zijn uiteindelijke doel: Zijn grote familie waarmee Hij tot in eeuwigheid verbonden is.

Hebreeën 11 noemt een hele serie leden van Gods gezin, de ‘geloofsgetuigen’, zoals Henoch, Abraham, Mozes, Rachab en een heleboel anderen. Allemaal mensen die bij God horen, van Hem zijn, maar die eigenlijk op zoek waren naar het gezin waar ze bij hoorden. Volgens Hebreeën 11 hadden ze allemaal hetzelfde gemeen: ze waren niet gericht op het leven hier, maar zochten een blijvende stad.

Abraham b.v. had terug kunnen keren naar Haran toen hij geen eindbestemming als eigendom had (hij moest zelfs het graf voor zijn vrouw kopen!), Mozes had terug kunnen keren naar Egypte toen hij met een ongelooflijk moeilijk volk op stap werd gestuurd. Maar deze allen wisten dat God iets beters in petto had, niet alleen voor hen, maar voor al Zijn mensen: het huisgezin van God, het Nieuwe Jeruzalem (zie verder).

Deze mensen worden geloofshelden genoemd, omdat ze vast bleven houden aan de belofte van God dat Hij iets nieuws zou maken, zonder dat ze het zelf ooit hebben meegemaakt. Zij wisten dat als God iets belooft, dat Hij het ook doet. En vanaf het begin van de zonde had God al beloofd dat er iemand zou komen die uiteindelijk satan zou overwinnen en de relatie van God met Zijn mensen weer zou herstellen. Die iemand is Christus.

Hoewel deze ‘geloofshelden’ gewoon hun leven leefden (land in bezit namen, huizen bouwden, kinderen kregen, werkten en oorlog voerden), was dat alles niet wat hun bezighield. Zij waren vóór alles gericht op datgene wat God bedacht had en wat Hij zou realiseren. Daarvoor leefden ze en daarvoor offerden ze alles wat ze hadden en zichzelf op. Zij wisten hun tijd op aarde was slechts een ‘tussentijd’, ze waren ‘vreemdelingen en bijwoners’ op de aarde (Hebr. 11:13). Feitelijk hoorden ze daar niet thuis: ‘ze horen niet bij de wereld, zoals Ik niet bij de wereld hoor’ (Joh. 17:16).

Je kunt maar bij één volk tegelijk horen; óf je bent deel van het volk van God en hoort niet bij de wereld, óf je bent deel van de wereld en hoort niet bij het volk van God. Er is geen tussenweg:

‘Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16 want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17 De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.’ (1 Joh. 2:15-17).

Als je bij God hoort, zal je denken in de eerste plaats gericht zijn op wat God wil, op Zijn  rijk. Je geeft je leven dan niet in de eerste plaats aan datgene wat jezelf fijn vindt, of anderen, maar wat God fijn vindt. Daaraan herken je de kinderen van God!

 

Onze gerichtheid: het verschil

Hét verschil tussen mensen die van God zijn en die van de wereld is niet hun gedrag of hun levenshouding, maar hun gerichtheid.

Jezus was meer boos over Petrus’ poging om Zijn dood te verijdelen, dan over het feit dat hij Hem uit angst voor zijn leven verloochende:

‘Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’’ (Matth. 16:23)

Door de eeuwen heen is de kerk erin geslaagd het focus van ‘gericht zijn op de dingen van God’ te verleggen naar ‘goede werken’, gedragsverandering etc., met als gevolg dat ze haar kracht verloren heeft, haar geloof en het uitzicht op Gods einddoel: een volk waarmee Hij tot in eeuwigheid wil verkeren.

In plaats daarvan zijn ze bezig met de wereld te verbeteren (de wereld gaat voorbij), of zichzelf, of zoeken ze naar hun welzijn of de zegeningen van God. Mensen als Abraham en Mozes zochten nooit hun eigen geluk, maar dat Gods plan verwezenlijkt werd.

Mozes had als geen ander begrepen dat God een volk voor Zichzelf wil, toen Hij tegen God zei: ‘Maar nu, vergeef toch hun zonde – en zo niet, delg mij dan uit het boek dat U geschreven hebt’ (Ex. 32:32). Zelfs het aanbod van God om van hem een ‘groot volk’ te maken (Ex. 32:10) sloeg hij af, want hij wist dat het in Gods hart was om van alle taal, stam en natie een volk te maken. Mozes was (net als Abraham en David) een man naar Gods hart, omdat hij Gods belang zocht en afzag van eigen voordeel.

De levenshouding van de christen is, dat hij de dingen van God zoekt:

‘Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. 2 Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. 3 U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. 4 En wanneer Christus, die ons leven is, verschijnt, zult ook u, samen met hem, in heerlijkheid verschijnen.’ (Kol. 3:1-4).

 

De kerk, Gods familie: de Jezus-community

Dat wat God zoekt is een volk dat Hem toebehoort, dat Hij kan zegenen, waarmee Hij kan optrekken en onder wie Hij kan wonen.

Daarom heeft Hij van meet af aan gezocht naar dit volk. Hij beloofde Abraham dat dit volk er zou komen. Dat begon met Israël en dat ging verder met het volk van God uit Joden en heidenen (de kerk). Vervangingstheologie en 2-volken theologie is onzin!

Met Israël had God een soort van particulier verbond, alleen geldig voor hen (en voor mensen die zich bij hen aansloten). Het teken van dat verbond was de besnijdenis. Zodra je na je geboorte besneden was, hoorde je bij Gods volk. Meer was niet nodig.

Nog tijdens Zijn omgang met Zijn volk beloofde God al het groter perspectief als Hij tot de komende Messias (Jezus) spreekt:

‘Hij zei: ‘Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’’ (Jes. 49:6)

 

En vanaf de komst van Jezus werkte God aan de verdere uitvoering van Zijn plan. Het oude volk (Israël) kwam tijdelijk ‘in de wachtkamer’ (tot Hij ze uiteindelijk ook weer bij Zijn volk zal terugvergaderen, tot dan waakt Hij over hen; Rom. 11).

Het teken van bij het volk horen werd veranderd: nu ben je niet meer door geboorte deel van Gods volk, maar doordat je gelooft dat Jezus voor jou gestorven is. Nu is er geen uiterlijk teken meer, maar een innerlijk: het sterven aan jezelf (de doop) en de inwoning van de Heilige Geest (de doop in de Geest), waarvan God zegt dat dit ons onderpand (onze garantie) is, dat we van Hem zijn (2 Kor. 1:22 en 5:5).

 

En ten slotte gaf God Zijn volk een nieuwe naam: de kerk (gemeente), de bruid van Christus, de stad van God, het nieuwe Jeruzalem (Openb. 21:9,10).

Dit is de stad waarnaar geloofshelden als Abraham en Mozes gezocht hebben. Een familie die volledig in ere hersteld (1 Thess. 5:23) voor eeuwig met God zal leven.

 

Als we dit geloven, verandert onze blik op de kerk. Niet meer een groepje mensen dat hetzelfde geloof aanhangt, dat zijn best doet goed te leven en anderen te overtuigen van onze goede bedoelingen. Maar de vertegenwoordiging van God op aarde, de woonplaats van God (Zijn tempel), degene die de sleutels van het Koninkrijk heeft en die de verkondiging van het goede nieuws van Jezus is toevertrouwd.

 

In zijn preek zondagmiddag gaf Goff een aantal kenmerken van deze familie van God, de Jezus-community (de kerk) aan de hand van Hand. 4:

 

De echte Jezus-Community (de kerk van Jezus) = een community

  • waar Jezus centraal staat
  • vol moed
  • die feest viert en God lofprijst
  • van vrienden
  • die bidt
  • die genereus geeft
  • waar genezing plaatsvindt (niet alleen fysiek, maar ook geestelijk herstel)
  • die groeit

Dit is de community waar wij als oudsten aan willen werken: een uitreikende plaats, waar het goed toeven is, waar God geëerd wordt en waar de gelovigen leven voor slechts één ding: de stad van God, een volk bestaande uit een schare die niemand tellen kan van elke stam, taal en natie.

Daarvoor gaf Jezus Zijn leven en daarvoor geven Zijn volgelingen hun leven.

Slot: ben je deel van die community? Of leef je liever je eigen leven en kies je deze huidige wereld als je levensdoel?